Terug
Interview met Carla Klein 1943: beeldhouwster en medailleur
Carla Klein komt uit Baarn en woont al jaren in Amsterdam. Zij heeft de Gooische Academie in Laren en de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam doorlopen. Tijdens haar studie en ook daarna heeft zij zich gespecialiseerd in het maken van bronzen beelden en penningen. Sinds 2006 is zij lid van Sint Lucas. Op twee oktober sprak ik met de kunstenares in haar atelier aan de Mesdagstraat in Amsterdam.

U bent geboren en getogen in Baarn. Hoe bent u terechtgekomen op de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam?

In Baarn ben ik net zoals ieder ander naar school gegaan, waarbij ik veel tekende. Daarnaast zat ik op tekenclubjes om er ervaring op te doen. Op een gegeven moment ben ik naar de Gooische Academie gegaan in Laren. Het is een vrije academie waar men geen toelatingsexamen voor hoeft te doen. Daar heb ik vier jaar op gezeten. Ik heb toentertijd allerlei kunstvormen uitgeprobeerd, want in het begin weet je toch nog niet echt welke weg je wilt inslaan.

Daar leerde je tekenen, schilderen en beeldhouwen. Op een gegeven moment kwam het idee in mij op dat ik verder met beeldhouwen wilde gaan. Dat kwam door een boek over de Rijksakademie met beeldhouwers erin, dat me heel erg aansprak. Maar op de Rijksakademie kon je niet zomaar binnenstappen, want er was toen een strenge selectie. De student hoefde geen toelatingsexamen te doen, maar zijn of haar gecreëerde kunstwerk te tonen.

Van de Gooische Academie had ik werk en dat heb ik toen ingeleverd. Eerst ben ik met mijn werkstukken bij Paul Grégoire, een beeldhouwer en hoogleraar aan de Rijksakademie, langsgegaan in Laren. Want ik dacht, misschien maak ik wel helemaal geen kans. Ik reed mijn brommertje met volle zijtassen met beelden van Baarn naar Laren. Hij zei: lever dat en dat maar in. Bij de selectiecommissie kon ik beelden en tekeningen inleveren. Daarna afwachten of je door de selectie komt; dat ging dus goed, want later ontving ik een brief waarin stond dat ik werd toegelaten, dus ik sprong een gat in de lucht. Dat was voor mij een heel bijzonder moment. Daarentegen stond mijn vader niet te springen. Hij was artistiek fotograaf, dus kende hij het klappen van de zweep om je brood als kunstenaar te verdienen. Mijn vader wist dat de Nederlander op zich geen kunstkoper en kunstminnaar was, enkelen daargelaten. In andere landen zoals Duitsland of België word je als kunstenaar meer gewaardeerd. In Nederland blijf je voor het meeste publiek een amateur, zo van 'het is leuk dat je van je hobby je beroep kunt maken'. Het ging goed met de Nederlandse kunst in de tijd van de contraprestatie (SBBK, Sociale Bijstand voor Beeldende Kunstenaars) en de BKR (Beeldende Kunstenaars Regeling), maar dat is allemaal voorbij, nu bestaat alleen nog de WWIK (Wet Werk Inkomen en Kunstenaars). Niet dat men specifiek een kunstenaar moet doodknuffelen, maar enige financiële steun is in Nederland wel nodig. Bijna een half procent van het nationaal inkomen wordt voor de beeldende kunsten besteed en dat is erg weinig. In Engeland is dat 10 procent. In de jaren zeventig was er in Nederland een bloeiperiode voor de beeldende kunsten. Ook musea en orkesten waren van topniveau, waarvan momenteel een groot deel is wegbezuinigd of sterk gekort op hun subsidie.

Wat is belangrijkste dat u heeft geleerd op de Rijksakademie?
Je leerde van alles, bijvoorbeeld iedere avond modeltekenen. Zie het als een conservatorium waar men dus noten leert lezen en een muziekinstrument bespelen. Zo leerde de kunststudent anatomie. Men moest naast modeltekenen ook boetseren. Je leerde het menselijk lichaam kennen, elke avond stond je te tekenen naar een model en je was constant bezig met techniek en perspectief. Het was een degelijke en grondige opleiding. Alles wat je dus nodig hebt om volleerd kunstenaar te worden, maar jammer genoeg is dat ook helemaal wegbezuinigd. Tegenwoordig gaat het er anders aan toe op de Rijksakademie, het is meer een open werkplaats en alles is veel moderner. Desondanks heb ik geboft dat ik zo'n gedegen opleiding mocht volgen.
 
U woonde in Amsterdam en was klaar met studeren. Wat bent u toen gaan doen? Daar stond je dan en de vraag was: 'Hoe verdien ik mijn geld?'. Dat werd je toentertijd niet geleerd. Ook niets van PR of promotie van je werk en hoe je naar de kunsthandel of galerieën moest gaan om contact te leggen. Ik ben altijd doorgegaan met het creëren van beelden, maar ik kon er toentertijd nog niet van leven. Dus eerst verschillende baantjes gehad om geld te verdienen. Want ja, onkosten gaan door. Echt armoe heb ik niet gekend. Rijk ben ik nooit geworden, maar wel met mijn kunst, als ik zo terugkijk.  Nu anno 2009 heb ik voldoende opdrachten en presentaties van mijn werk.

Hoe kwam u erbij om penningen te gaan maken? Pas aan het einde van de academieperiode ben ik begonnen met penningen maken. Ik had een leraar, die heette Piet Esser, dat was dé man van de penningen en penningkunst. Hij was een groot beeldhouwer maar hij maakte daarnaast ook fantastische penningen. Onder andere van zijn leerlingen en van de kunstschilder Rembrandt. Er werd niet speciaal lesgegeven in penningen maken, maar door de bevlogenheid van mijn professor raakte ik zelf ook heel geïnspireerd. Esser stimuleerde iedere student die met hem in aanraking kwam, het was een heel bijzonder mens. In het begin vroeg ik me af: 'Wat moet ik met die kleine, ronde dingetjes? Dat gefriemel!. Maar op een gegeven moment raak je er toch door geïntrigeerd, je kunt zoveel doen op zo'n klein vlak.
 
Hoe wordt een penning gemaakt? Met een tekening of idee als voorbeeld wordt eerst het model geboetseerd in bijenwas op een plexiglas plaatje. Dan wordt het afgegoten in gips in negatieve vorm; zo verkrijg je twee gipskapjes. Vervolgens wordt in de gipskappen klei ingedrukt. Dan heb je een kleimodel, dat eerst bijgewerkt wordt tijdens het droogproces. Het model is zeer kwetsbaar, net beschuit. Zodra het kleimodel droog is wordt het gebakken in de oven. Daarna gaat het naar de bronsgieterij, die het moedermodel omzet in brons. Bij de bronsgieter wordt de penning gegoten, bijvoorbeeld met de zandmethode. Ik heb zelf nog nooit brons gegoten, omdat het risico te groot is. Brons is een legering van koper en tin en dat wordt verhit tot 1200 C. Als je hier op het dak staat en je laat het hete brons vallen dan gaat het overal dwars doorheen en valt het hier zo op de grond. Heel wat bronsgieters hebben door hun werk verwondingen opgelopen en zelfs hun hand verloren. Ik gebruik altijd brons, maar tegenwoordig worden er voor penningen allerlei materialen gebruikt, zoals glas, veertjes, wol, hout of plexiglas. Ik ben nog een beetje van de klassieke soort, omdat je ook zo'n opleiding hebt gehad blijf ik geïntrigeerd door de cirkelvorm. En ik ben ook altijd geïntrigeerd door mensen en dieren. Daardoor was ik vroeger ook al gek op het maken van portretten. En dus zit ik altijd naar mensen te kijken, gewoon omdat ik geinteresseerd ben in mensen, in verschillende types.
 
Voor de penning Trojka heeft u een prijs ontvangen op de International Biennal of Contemporary Medals. Wat is dat voor een biënnale?
Dat is een evenement georganiseerd door de stad Seixal in Portugal. Seixal ligt aan de Taag, tegenover Lissabon. Het is een wereldexpositie van penningkunst. Er zijn exposities, workshops, lezingen en er is een congres, alles op het gebied van penningkunst. Ik kreeg destijds van een collega de tip om mee te doen. Kunstenaars uit de hele wereld kunnen hun werk inleveren en dat heb ik toen ook gedaan. Uit 25 landen hadden 154 medailleurs hun werk ingezonden. Uit al die inzendingen koos een vakjury mijn penning als mooiste. Dat was dus in één klap raak.

TROJKA (ode aan Franz Marc)
INSCHRIJFPENNING VERENIGING VOOR PENNINGKUNST (VPK 2006)
 

Vz 81
mm brons (NTK-VPK)

Kz 81
mm brons (NTK- VPK)

De penning Trojka is niet te koop en was alleen te verkrijgen via de VPK

Is een penning altijd tweezijdig? Nee, er bestaan ook eenzijdige penningen, maar dat noemen ze ook wel 'een gemiste kans''. Die twee zijden is juist het leuke van een penning. De achterkant wordt ook wel keerzijde genoemd, want een - achterkant - is altijd minder. Beide zijden hebben evenveel waarde. Als ik een portret van u maak, dan zoek ik dingen waar u mee bezig bent of wat u leuk vindt. Die keerzijde moet op de voorzijde slaan, het is altijd met elkaar verbonden. De laatste jaren werk ik veel in opdracht. Ze zoeken iemand die nog portretten kan maken, want tegenwoordig is het bijna allemaal abstract en er zijn nog weinig mensen die realistische portretten kunnen maken op zo'n klein vlak. Penningen maken wordt niet meer onderwezen tijdens een opleiding. Zoals ik vroeger gedegen ben opgeleid op de Rijksakademie, dat bestaat niet meer. Daarvoor moet je naar het buitenland, bijvoorbeeld naar de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. Nogmaals, nog steeds ben ik dankbaar dat ik les heb gehad van Piet Esser, Paul Grégoire en Theresia van der Pant. Maar ook van Willem Vaarzon-Morel en Nynke Schepers. Dat zijn allen grote kunstenaars waar Nederland trots op mag zijn.
 
U heeft ook een penning van Maria Callas gemaakt? Ja, dat is vrij onverwacht gegaan. Ik was hier in het atelier aan het werk met de radio aan en hoorde Maria Callas in de opera La Traviata zingen. Vroeger deed operazang mij niet zoveel, maar op dat moment dacht ik: 'goh, wat een bijzondere stem!. Daardoor raakte ik helemaal geïnspireerd en dan wil ik ook een portret van haar maken. Daarna een CD van haar gekocht en enkele boeken over haar leven. Zo is mijn eerste portret van Maria Callas ontstaan. Inmiddels ben ik een groot bewonderaar van haar en lid van de Maria Callas International Club. Daar is een nieuwe portretopdracht uit voortgekomen, voor de Club, waar ik nu aan werk. Zij bestaan volgend jaar 20 jaar en willen ter viering van hun jubileum een penning hebben.

Heeft u nog plannen voor de toekomst, dagdromen, met betrekking tot uw werk? Dromen? Kunstwerken maken is 1 procent inspiratie en 99 procent transpiratie zegt men en dat klopt, want ik werk vaak tot 's avonds tien uur en in de weekenden. Ik doe mijn werk iedere dag naast het huishouden en leef met de dag. Ideeën ontstaan bij mij op het moment dat ik geïnspireerd raak. Ook met beelden, als ik bijvoorbeeld een mooie houding zie waarvan ik denk: 'dat wil ik maken'. Op het ogenblik ligt het beelden maken een beetje stil, omdat ik aan 3 penningopdrachten werk en de mensen zitten allemaal aan mij te trekken. Dan heb ik geen geduld voor ander werk, dat komt pas weer een beetje als je de vrijheid hebt. Dan komt het dromen misschien ook weer. Ik zie bijvoorbeeld mooie momenten onderweg, zoals dravende paarden. Ik maak dan schetsen en die tekeningen zet ik dan weer op een penning. Zo is de penning Tweespan ook ontstaan. Of recentelijk de zwaluwpenningen. Daarnaast heb ik diverse exposities, zoals u kunt lezen op mijn website www.bronzen-beelden-carlaklein.nl  Daarbij verheug ik mij op de uitstapjes die met penningkunst te maken hebben. Ik ga ieder jaar naar Engeland, waar de BAMS (British Art Medal Society) haar symposium heeft, heerlijk, een heel weekend over penningen praten en ze bekijken en met collega's en verzamelaars van deze kleine kunstvormen genieten. Al jaren ben ik lid van PVDM (Promotie van de Medaille), dat is de Belgische vereniging en ieder jaar ga ik naar Brussel. Ook ben ik lid van onze Nederlandse club de VPK (Vereniging voor Penningkunst). En dit jaar ben ik lid geworden van de DGMK (Deutsche Gesellschaft für Medaillenkunst), waar ik bijzonder goede penningmakers heb ontmoet. Op al deze verenigingen ontmoet je kunstenaars die hetzelfde nastreven: mooie kunstwerken creëren.
 
Michel Pasman

Sint Lucas - Nieuwsbrief jaargang 11 nr. 12 december 2009

top